phone icon020 696 3000
Nederlands | English
divider

Artikel

separator

Deel dit artikel op social media:


Goodwill bij het einde van de Agentuurovereenkomst

/

Als een agentuurovereenkomst tussen een handelsagent en de principaal tot een einde komt, kan dit ertoe leiden dat de principaal verplicht is om aan de handelsagent een klantenvergoeding te betalen, ook wel bekend als goodwill.

Achtergrond

Goodwill bestaat uit blijvend voordeel dat door de principaal wordt genoten als gevolg van de inspanningen van de handelsagent ten tijde van de agentuurovereenkomst. In Nederland is de verplichting tot betaling van goodwill vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (art. 7:442 BW). Dit wetsartikel en alle wettelijke bepalingen in Nederland over de agentuurovereenkomst, zijn de Nederlandse uitwerking van Europese regelgeving[1], namelijk de Europese Agentuurrichtlijn[2].

T-Mobile Arrest

Over de berekening van goodwill oordeelde de Hoge Raad in 2012, in het “T-Mobile Arrest”[3] al dat dit in drie fases dient plaats te vinden, in overeenstemming met rechtspraak van het Europese Hof van Justitie[4] en de zienswijze van de Europese Commissie op de Agentuurrichtlijn[5]:

  1. “In de eerste fase dienen de voordelen die transacties met door de handelsagent aangebrachte klanten de principaal opleveren, gekwantificeerd te worden (art. 7:442 lid 1, onder a, BW).
  2. [..] inde tweede fase [dient] beoordeeld [te] worden of reden bestaat het aldus vastgestelde bedrag aan te passen met het oog op de billijkheid, gelet op alle omstandigheden van het geval en met name gelet op de door de handelsagent gederfde provisie; de billijkheid kan zowel een verhoging als een verlaging van het in de eerste fase vastgestelde bedrag meebrengen (art. 7:442 lid 1, onder b, BW).
  3. […] in de derde fase [wordt] getoetst of het uit de twee eerdere berekeningsfasen volgende bedrag het in lid 2 van art. 7:442 BW bedoelde maximumbedrag niet te boven gaat.”

Het in de eerste fase bedoelde voordeel van de principaal bestaat uit de mogelijkheid voor de principaal om de door de handelsagent tot stand gebrachte klantenrelaties na beëindiging van de agentuurovereenkomst te kunnen blijven gebruiken zonder daarover provisie aan een handelsagent verschuldigd te zijn. Dit wordt gewoonlijk vastgesteld op de in de laatste twaalf maanden door de handelsagent verdiende provisie betreffende de nieuwe en geïntensiveerde bestaande klanten, welk bedrag vervolgens (fase 2) naar boven of juist naar beneden wordt gecorrigeerd in verband met (i) de verwachte duur van het voordeel dat de principaal aan genoemde klanten kan ontlenen, (ii) het verloop van het klantenbestand en (iii) de versnelde ontvangst van provisie door de agent die nu ineens een vergoeding krijgt uitgekeerd (rov. 6.2 uit het T-Mobile Arrest).

Hogere goodwill?

Als het bedrag van goodwill hoger uitvalt, dan moet aannemelijk gemaakt worden dat de handelsagent klanten bij de principaal heeft aangebracht of overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid en dat de overeenkomsten met deze klanten de principaal na het einde van de agentuurovereenkomst nog aanzienlijke voordelen opleveren. Voordat aan de bedoelde kwantificering kan worden toegekomen, zal de agent daarom aannemelijk moeten maken dat de principaal van door hem aangebrachte klanten, of van klanten waarmee hij de overeenkomsten heeft uitgebreid, nog in relevante mate nieuwe transacties kan verwachten.

De Hoge Raad en de zaak Corendon/Prijsvrij

In een recent arrest van de Hoge Raad is dit in een geschil tussen Corendon en Prijsvrij aan de orde gekomen[6]. Prijsvrij is handelsagent en Corendon is principaal op basis van een agentuurovereenkomst. Prijsvrij zorgde voor nieuwe business bij Corendon en beriep zich na beëindiging van de agentuurovereenkomst door Corendon op betaling van een klantenvergoeding door Corendon. Prijsvrij vorderde goodwill ter hoogte van haar gemiddelde provisie op Corendon-reizen over twaalf maanden. De kantonrechter wees de vordering toe, het Hof wees deze af in hoger beroep. Prijsvrij ging in cassatie bij de Hoge Raad. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof, dat Prijsvrij niet voldoende heeft gesteld en bewezen dat er daadwerkelijk voordeel uit de agentuurovereenkomst zal worden genoten.

Voordeel wordt aannemelijk geacht

De Hoge Raad sluit bij zijn beoordeling aan bij de in het T-Mobile Arrest geformuleerde vaststelling van de goodwill in drie fases. In dit arrest voegt de Hoge Raad daar nog aan toe, dat aan de kwantificering van het voordeel voor de principaal de veronderstelling ten grondslag ligt, dat aannemelijk is dat de agent klanten bij de principaal heeft aangebracht of overeenkomsten met bestaande klanten aanmerkelijk heeft uitgebreid én dat de overeenkomsten met deze klanten de principaal na het einde van de agentuurovereenkomst nog aanzienlijke voordelen opleveren.

Nieuw element

De Hoge Raad geeft aan dat voordat aan de kwantificering van de goodwill kan worden toegekomen, de agent aannemelijk moet maken dat de principaal van door hem aangebrachte klanten, of van klanten waarmee hij de overeenkomsten heeft uitgebreid, nog in relevante mate nieuwe transacties kan verwachten. Hier verwijst de Hoge Raad naar het gespreksverslag van de Europese Commissie uit 1996 en het Duitse recht, waarop het standpunt van de Europese Commissie voor de regeling van de klantenvergoeding in de Agentuurrichtlijn is gebaseerd. In het T-Mobile Arrest was aan deze voorwaarde voldaan. Dat arrest ziet dan ook alleen op de berekening van de goodwill.

 Benadering Gerechtshof

In het geschil tussen Corendon en Prijsvrij, heeft het Hof onderzocht of Prijsvrij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Corendon aan de klanten van Prijsvrij na het einde van de agentuurovereenkomst nog enig voordeel heeft kunnen of zal kunnen ontlenen. Het Hof heeft daarbij de conclusie getrokken dat Prijsvrij onvoldoende heeft gesteld dat klanten bij het kiezen van dit type reizen, hun keuze baseren op de touroperator en niet op de prijs (zoals Corendon beweerde). Bovendien neemt het Hof mee dat Corendon niet beschikt over de adresgegevens van de klanten van Prijsvrij waarmee zij zich (door marketing) een voordeel zou kunnen verschaffen. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het Hof juist is.

Conclusie

De Hoge Raad heeft de berekening van goodwill bij beëindiging van een agentuurovereenkomst iets aangescherpt. De agent kan in dat geval niet zomaar stellen dat hij recht heeft op goodwill doordat de agent business voor de principaal heeft verzorgd. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof dat het recht op enige uitkering van goodwill pas bestaat als vaststaat dat de principaal klanten bij de principaal heeft aangebracht, of overeenkomsten met bestaande klanten aanzienlijk zijn uitgebreid en de principaal dit de principaal bovendien na beëindiging van de agentuurovereenkomst nog aanzienlijke voordelen oplevert.

[1] Op een aantal gebieden is vanuit de politiek beslist dat het zinvol is om op Europees niveau afspraken te maken over onderwerpen. Deze afspraken zijn onder meer vormgegeven in Europese Verordeningen – dit zijn Europese “wetten” – en richtlijnen – deze zijn gericht tot de landen/lidstaten van de EU en bevatten eigenlijk meer een wetgevingsopdracht. Als Europese burger kun je je tegenover de overheid in beginsel zowel direct op een Europese verordening als op een richtlijn beroepen.

[2] Richtlijn 86/653/EEG

[3] HR 2 november 2012, NJ 2014/332

[4] Onder meer: HvJ EG 26 maart 2009, zaak C-348/07 (Turgay Semen/Deutsche Tamoil)

[5] Rapport Europese Commissie 1996 – COM (96), 364

[6] HR 19 mei 2017, NJB 2017/1186

 

Geplaatst door Matthijs de Jong

separator

Deel dit artikel op social media: