phone icon020 696 3000
Nederlands | English
divider

Artikel

separator

Deel dit artikel op social media:


Rechtbank Amsterdam beperkt “religieus echtscheidingstoerisme”

/

Instantie:                               Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak                  12-02-2018

Zaaknummer                        C/13/640618 / KG ZA 17-1351
Bijzondere kenmerken       Kort geding
Inhoudsindicatie                 

KG voorzieningenrechter onbevoegd kennis te nemen van een geschil aangaande                                                     een joodse scheiding tussen een echtpaar dat in Londen woont.

Vindplaatsen:                        Rechtspraak.nl 

 

Toelichting op de uitspraak

In het artikel van 13 februari 2018 schreef ik over de wijze waarop de Nederlandse rechter personen – meestal vrouwen – die vastzitten in een religieus huwelijk te hulp kan komen. Kort gezegd kan de partij die de scheiding tegenhoudt – meestal de man –  op grond van onrechtmatige daad worden veroordeeld om mee te werken aan de totstandkoming van de religieuze echtscheiding. Lees hier het artikel.

Huwelijkse gevangenschap

Deze rechtspraak is opmerkelijk omdat Nederland de scheiding van Kerk en Staat kent en religieuze huwelijken niet erkent, ook al zijn religieuze huwelijken een sociale realiteit: de zogenaamde “huwelijkse gevangenschap” kan grote gevolgen hebben voor moslimvrouwen en joodse vrouwen.  

€ 100.000 boete wegens niet meewerken aan religieuze scheiding

In het artikel beschreef ik een opmerkelijke zaak uit 2008 waarbij de Rechtbank Amsterdam een in het buitenland wonende man had veroordeeld om mee te werken aan de totstandkoming van de religieuze echtscheiding bij de rabbinaat te Amsterdam, dat zich toelegt op de problematiek van de “geketende vrouw”. De zaak was bijzonder vanwege het grensoverschrijdende karakter. De echtgenoot verscheen niet in  de procedure verscheen (liet “verstek” gaan), zodat de rechter aan kon nemen in dit grensoverschrijdende geval bevoegd te zijn: dat werd blijkbaar gesteld door de vrouw en dat werd niet tegengesproken door de man die in het buitenland woonde. Het gevolg van een dergelijke veroordeling is ingrijpend, want de Nederlandse uitspraak wordt vanwege internationale verdragen in andere Europese landen erkend. In de zaak uit 2008 stond op het niet meewerken aan de religieuze scheiding een dwangsom van € 100.000. Een hoge prijs voor het niet meewerken aan een echtscheiding, opgelegd door een rechter uit een ander land, en te incasseren in het woonland. Bij deze gang van zaken is het dus voor vrouwen uit het buitenland aantrekkelijk om hun echtgenoten voor de Nederlandse rechter te dagvaarden, vooral indien het afdwingen van een religieuze echtscheiding volgens de jurisprudentie in hun eigen land niet mogelijk is.

Echtscheidingstoerisme?

Aan deze “internationalisering”, die kan leiden tot een vorm van “echtscheidingstoerisme”, lijkt nu een einde te komen door een tweetal recente uitspraken van de Amsterdamse rechtbank. In de eerste zaak (vonnis van 4 december 2017,  ECLI:NL:RBAMS:2017:8910 (niet gepubliceerd) woont geen van de partijen in Nederland, maar er is een aanknopingspunt met de Nederlandse rechtssfeer: het huwelijk is in Nederland gesloten. De rechtbank acht zich bevoegd. De man, die niet wilde scheiden, althans daar niet toe gedwongen wilde worden door een rechter uit een land waar hij niet woont, had echter nog andere argumenten aangevoerd. Hij betwistte dat het rabbinaat in Amsterdam als een autoriteit op dit gebied werd erkend en hij kwam met rabbinale opinies om de speciale positie van dit rabbinaat tegen te spreken. Op die meer inhoudelijke grond wees de rechtbank de vordering van de vrouw af. Toewijzing van de vordering is daardoor moeilijker geworden, ook al acht de rechtbank zich wel bevoegd. 

Rechter verklaart zich onbevoegd

In een volgende procedure – leidend tot het vonnis van 12 februari 2018 dat aanleiding geeft voor dit artikel – was echter geen sprake van een in Nederland gesloten huwelijk. De man en de vrouw woonden in het Verenigd Koninkrijk. De vrouw beriep zich op de bijzondere specialisatie van de Amsterdamse rabbinale rechtbank. De man verweerde zich en achtte de Amsterdamse civiele rechtbank niet bevoegd. Bovendien stelde de man dat als hij al onrechtmatig handelde, dat dan in het Verenigd Koninkrijk is, zodat die handelwijze niet op grond van Nederlands recht kan worden getoetst. Hierdoor werd de rechtbank geconfronteerd met twee verdedigingslinies. De rechtbank komt tot de conclusie dat zij inderdaad niet bevoegd is: “De onrechtmatige gedraging van de man bestaat uit een nalaten, namelijk het niet meewerken aan de echtscheiding. Dit nalaten en de vermeend schadelijke gevolgen daarvan doen zich niet voor in Amsterdam. Dit brengt mee dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is van dit geschil kennis te nemen.”

Nationale gevallen: onveranderd

Gelet op deze ontwikkeling zal de internationale aantrekkingskracht van de Amsterdamse rechtbank betreffende religieuze echtscheidingen wellicht afnemen. Het arrest van de Hoge Raad uit 1982 (HR 22 januari 1982, NJ 1982/489) is op zichzelf wel nog steeds geldend recht binnen de Nederlandse context. Dat arrest had betrekking op een Nederlands-joods echtpaar dat in Nederland woonde en dat naast een burgerlijk huwelijk ook een religieus huwelijk had gesloten. Voor deze situatie verandert vooralsnog niets, wel lijkt de internationale opmars een halt te zijn toegeroepen.

Gepubliceerd door Marius Hupkes

 

 

separator

Deel dit artikel op social media: