phone icon020 696 3000
Nederlands | English
divider

Artikel

separator


Rechtbank Amsterdam bevoegd in MBB fraudezaak

/

Deel deze pagina
  •  
  •  
  •  

De Rechtbank Amsterdam heeft zich bevoegd verklaard om de MBB-fraudezaak in behandeling te nemen. Het verweer van Deutsche Bank dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is, is afgewezen. De zaak is een uitloper van de fraude met MBB obligaties, waarbij met een tranche van 500.000.000 euro aan lege hulzen is gespeculeerd.

Instantie: Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak: 20-11-2019

Zaaknummer:   C/13/665850 / HA ZA 19-478
Rechtsgebieden: Civiel recht
Inhoudsindicatie:

Vonnis in bevoegdheidsincident. Artikel 8 Verordening Brussel I-bis.

Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Lees hier de uitspraak

Kernoverweging van de uitspraak: 

(4.9)

De kern van het verwijt aan Deutsche Bank is dat Deutsche Bank obligaties heeft geleverd met een totale nominale waarde van € 14,5 miljoen die niet waren volgestort. Daarmee heeft zij volgens [eiseressen c.s.] vals geld in omloop gebracht. Deutsche Bank wist dat zij niet volgestorte obligaties had geleverd aan [eiseres BV] op haar rekening bij IGB. Deutsche Bank was niet bereid tot teruglevering van de obligaties, ondanks diverse verzoeken daartoe, en zij is niet tot directe blokkering van de rekening overgegaan, waardoor de obligaties verder verhandeld konden worden. Die handelwijze van Deutsche Bank is zeer onzorgvuldig en onrechtmatig, aldus [eiseressen c.s.]

(4.10)

[eiseressen c.s.] stelt concreet dat sprake is van afstemming, samenwerking en regie van de verschillende gedaagden bij de stappen die zijn gezet. De handelingen van de gedaagden zijn volgens [eiseressen c.s.] ten nauwste met elkaar verweven en de vervolghandelingen bij de gestelde fraude zouden niet mogelijk zijn geweest zonder de voorafgaande handelingen. [eiseressen c.s.] acht vooral de ‘bank-to-bank’ contacten tussen Deutsche Bank en IGB essentieel.

Hiermee heeft [eiseressen c.s.] naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet toegelicht dat er een feitelijk verband bestaat tussen de handelwijze van Deutsche Bank en IGB, zodat er sprake is van eenzelfde feitelijke situatie.

(4.11).

Verder hangt de tegen Deutsche Bank ingestelde vordering die is gegrond op onrechtmatig handelen, te weten het in strijd handelen met de maatschappelijke zorgvuldigheid door ongedekte obligaties in omloop te brengen voldoende samen met de vordering tegen IGB, die is gebaseerd op het in strijd handelen met de zorgplicht door na te laten de echtheid van de obligaties te controleren. Dat op de vorderingen van [eiseressen c.s.] jegens IGB en Deutsche Bank mogelijk verschillende rechtsstelsels van toepassing zijn, maakt daarbij geen verschil, omdat het handelen in elk van de toepasselijke rechtstelsels onrechtmatig en/of ongeoorloofd kan zijn.

(4.12)

Gelet op het voorgaande is er sprake van een zo nauwe samenhang tussen de vorderingen tegen Deutsche Bank en IGB, dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Dit brengt mee dat deze rechtbank zich op grond van artikel 8 aanhef en lid 1 Verordening Brussel I-bis bevoegd acht kennis te nemen van de vordering van [eiseressen c.s.] tegen Deutsche Bank.

Aanverwante procedures:

Rechtbank Overijssel 16 februari 2017 (strafzaak D.M.T.)

Inhoudsindicatie:

Een 53-jarige man uit de Verenigde Staten is door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf. De man is schuldig aan meerdere oplichtingen, valsheid in geschrifte en faillissementsfraude. Hij deed zich voor als kapitaalkrachtige zakenman en wist met valse beloftes telkens op grote schaal grote geldbedragen, goederen en diensten los te krijgen. De man moet zo’n 635.000 euro aan schadevergoedingen betalen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2020 (procedeerverbod Airbus)

Inhoudsindicatie:

Het aanschrijven van de bestuurders en de commissarissen van bedrijven (waaronder Airbus) die volgens appellante zich schuldig maken aan omkoping en ander frauduleus rechtvaardigt geen spreekverbod. Naar het voorlopige oordeel van het hof is er geen sprake van een serieuze aantasting van het door artikel 8 EVRM beschermde recht van Airbus op bescherming van haar privéleven of persoonlijke levenssfeer. Het hof komt daarom niet toe aan een afweging van de betrokken rechten in artikel 10 en artikel 8 EVRM.

 

 

 


Deel deze pagina
  •  
  •  
  •  
separator