phone icon020 696 3000
Nederlands | English
divider

Artikel

separator

Deel dit artikel op social media:


De verstekverlening in het arbeidsrecht: het kan doelmatiger

/

De cliënt en de advocaat komen voorbereid op de zitting, maar de wederpartij komt niet opdagen.  Wat is dan de kortste weg naar een vonnis of beschikking? Er blijken verschillende benaderingen te zijn binnen het arbeidsrecht.  En: in het faillissementsrecht gaat het efficiënter.

De niet verschenen verweerder bij een verzoek tot faillietverklaring

Een faillissementsaanvraag begint met een verzoekschrift. De griffier roept de verweerder op per brief. Als de verweerder niet verschijnt, verleent de rechter geen verstek maar houdt hij de zaak aan – meestal met 4 weken – om de verzoeker de kans te geven de verweerder op te roepen met een deurwaardersexploit. Dit is geregeld in art. 1.1.4.3. van het procesreglement. De verzoeker verliest hiermee tijd, en soms ook geld (denk aan gevallen waarin de verzoekers werknemers zijn en belang hebben bij toepassing van de loongarantieregeling). Om de afwikkeling te bespoedigen kan de advocaat van de verzoekers de oproepbrief en het verzoekschrift al voor de eerste zitting door een deurwaarder laten betekenen. Het exploit kan vantevoren aan de rechter worden toegestuurd of ter zitting worden ingediend. In dat geval houdt de rechter de zaak niet aan, verleent hij direct verstek en zal hij het faillissement uitspreken. Deze afdoening is op zichzelf niet in het procesreglement geregeld, maar is wel praktijk. 

Steeds meer arbeidsrechtelijke verzoekschriftprocedures

Arbeidszaken bij de kantonrechter beginnen – als de wet dat bepaalt – met een verzoekschrift. Bij ontbindingszaken was dat voor de invoering van de WWZ al het geval, maar sinds de invoering van de WWZ is het aantal arbeidsrechtelijke zaken dat met een verzoekschrift begint uitgebreid: Denk aan zaken over de transitievergoeding en over de aanzegverplichting (zaken waar bovendien een korte vervaltermijn geldt). Sinds de invoering van de WWZ is het verder mogelijk dat de verweerder een loon”vordering” als tegenverzoek instelt bij een ontbindingsverzoek van de werkgever.

De niet verschenen gedaagde in een arbeidsrechtelijke dagvaardingsprocedure

De verzoekschriftprocedure wint sinds de invoering van de WWZ dus terrein, maar er blijft nog een belangrijke categorie arbeidsrechtelijke zaken over die nog steeds begint met een dagvaarding: de (zelfstandige) loonvordering. Denk aan niet betaald salaris of vakantiegeld bij einde dienstverband, onderbetaling (strijd met minimumloon of CAO) terwijl de arbeidsovereenkomst nog doorloopt, verlenging van de loonbetalingsverplichting door UWV na twee jaar ziekte, enzovoort. Bij dagvaardingszaken (“vorderingszaken” in het toekomstige KEI-jargon) verleent de kantonrechter verstek  als de gedaagde niet verschenen is – waarna de vordering wordt toegewezen. Bij bodemprocedures gaat dit vanzelf: de originele dagvaarding bevindt zich in het rechtbankdossier en het gebruik dat de eiser verstek vraagt is obsoleet geworden. Een loonvordering wordt vaak via een kort geding ingesteld. De advocaat van de eiser dient de betekende dagvaarding  voor de zitting in (zie art. 5.3 procesreglement kort geding kanton).  De rechter ziet dan op de zitting direct dat de deurwaarder de gedaagde geldig heeft opgeroepen en verleent verstek. De vordering wordt vervolgens toegewezen.

Het arbeidsrechtelijke verzoek en verstekverlening

Sinds de invoering van de WWZ heb ik een flink aantal verzoekschriften behandeld namens de werknemer waarbij de verweerder, de werkgever, niet verscheen. De vraag rijst dan welke eisen de rechter aan de oproeping stelt. Het belang van de verzoeker is: verstek en zo snel mogelijk een uitspraak. Ik heb gemerkt dat de praktijk – soms binnen dezelfde rechtbank – verschilt. Een verzoeker zit niet te wachten op een aanhouding en een nieuwe zittingsdatum, dus het ligt voor de hand dat de advocaat van de verzoeker precies hetzelfde doet als gebruikelijk is in de faillissementspraktijk: de deurwaarder betekent het verzoekschrift en de oproepbrief, en de kantonrechter verleent verstek. Het is me in een paar zaken gelukt, maar wat blijkt: sommige kantonrechters doen het anders en houden de zaak toch aan. Dat is het gevolg van een bepaling in het procesreglement die oorspronkelijk (voor de invoering van de WWZ) geschreven is voor ontbindingsprocedures.

Het procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbank, kantonzaken

De kamers voor kantonzaken werken in verzoekschriftprocedures met een procesreglement dat laatstelijk is gewijzigd op op 1 januari 2017. In het “bijzondere deel” komt onder meer het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan de orde. Art 2.2.8 gaat over de vraag wanneer verstek wordt verleend:

2.2.8 Niet verschijnen verweerder. De verweerder wordt bij (aangetekende) brief door de griffier van de rechtbank voor de mondelinge behandeling opgeroepen. Indien de verweerder zonder bericht niet op de mondelinge behandeling verschijnt en ook geen verweerschrift heeft ingediend, wordt van de verzoeker een uittreksel uit het bevolkingsregister of uit het handelsregister gevraagd dat niet ouder is dan de datum van de oproeping. Hierna kan de griffier van de rechtbank de verweerder opnieuw oproepen. In plaats daarvan kan de verzoeker de verweerder per deurwaardersexploot oproepen.

Mij viel op dat het bijzondere deel van het procesreglement nog geen rekening houdt met de nieuwe arbeidsrechtelijke verzoeken die sinds de invoering van de WWZ zijn ontstaan: het verzoek om de werkgever te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, de aanzegvergoeding e.a. kennen geen eigen hoofdstuk in dit reglement.

Analoge toepassing van het procesreglement?

Er zijn twee benaderingen denkbaar en ik heb beide in de praktijk meegemaakt (binnen dezelfde rechtbank). De eerste benadering is dat de kantonrechter art. 2.2.8 niet alleen toepast op de ontbindingsverzoeken maar ook bij zaken over de transitievergoeding en de aanzegvergoeding. De zaak wordt dan per definitie aangehouden. De advocaat van de werknemer komt – als hij goed is voorbereid – op de zitting met een recent KvK-uittreksel (dat moet voldoende zijn als de verweerder de werkgever is; bij een ontbindingszaak zal de advocaat van de werkgever een gba-uittreksel van de werknemer moeten tonen). Er komt een tweede zitting en als de verweerder dan weer niet komt opdagen, wordt alsnog verstek verleend. Een variant die ik heb meegemaakt is dat de rechtbank oproept voor een zitting twee weken later waarbij de verzoeker niet hoeft te verschijnen; alleen als de verweerder op de tweede zitting wel komt, wordt nog een derde zitting gepland. Min of meer is de verwachting dat de verweerder bij de tweede zitting toch niet komt (zodat de verzoeker thuis mag blijven). Dit is natuurlijk wel omslachtig, omdat het maar al te vaak anders loopt dan je verwacht: als de verweerder wel verschijnt op de tweede zitting, kan (weer) geen inhoudelijke behandeling plaatsvinden, en is een derde zitting nodig.

Zo kan het ook: meteen een exploit uitbrengen

Nu de tweede benadering: de advocaat van de verzoeker laat de oproepbrief van de rechtbank en het verzoekschrift betekenen en de deurwaarder deelt zo de datum en tijd van de zitting mee aan de verweerder. Net zoals bij faillissementsprocedures het geval is, stuurt de advocaat het deurwaardersexploit en de GBA of KvK-uittreksels aan de rechter – of overhandigt hij het exploit op de zitting. Accepteert de rechter deze wijze van oproeping, dan verleent hij verstek en volgt een beschikking. Er is geen tweede zitting nodig: de zaak wordt efficiënt afgedaan. Deze aanpak is natuurlijk geïnspireerd op de dagelijkse gang van zaken in de faillissementspraktijk, waar advocaten van verzoekers heel vaak vantevoren een exploit uitbrengen om de doorlooptijd kort te houden.

Harmonisatie wenselijk?

Het is op zichzelf merkwaardig dat arbeidsrechtelijke verzoekschriftprocedures niet allemaal op dezelfde wijze worden behandeld, zodat ik in de eerste plaats bepleit dat in de eerstvolgende versie van het procsreglement duidelijk wordt gemaakt hoe moet worden gehandeld bij het niet verschijnen van een verweerder bij de verschillende arbeidsrechtelijke verzoekschriftprocedures. Dat maakt voor de advocatuur duidelijk of het zinvol is een exploit aan te leveren. Een volgende vraag is of de nu geldende regeling van de verzoekschriftprocedures moet worden overgenomen voor de nieuwe varianten, waarbij per definitie aanhouding en een tweede zitting plaatsvindt. Is het niet praktischer om op dezelfde wijze te gaan werken als bij de faillissementen? Zoals gesteld is mijn ervaring dat sommige kantonrechters nu al genoegen nemen met een deurwaardersexploit, als de advocaat daar op tijd voor heeft gezorgd. Bij de aanzegvergoedingen en de transitievergoedingszaken heeft de kantonrechter die ruimte mijns inziens nu al, omdat deze zaken (nog) niet apart worden geregeld in het procesreglement.

Toch maar een exploit?

Ik ben van mening dat het een flinke verbetering zou zijn als het voor alle verzoekschriftprocedures bij de kantonrechter mogelijk wordt om “door te pakken” als de advocaat een exploit indient. Deze aanpak spaart een tweede zitting uit terwijl door middel van het exploit en de rechtbankbrief wel dubbel en dwars is opgeroepen. Het argument dat de verweerder zo geen tweede kans krijgt om te verschijnen, is niet erg overtuigend, omdat bij faillissementsaanvragen al jaren op deze wijze wordt gewerkt terwijl faillietverklaring toch wel grotere gevolgen heeft dan een veroordeling tot betaling van een transitievergoeding of een aanzegvergoeding, of een ontbinding van een arbeidsovereenkomst.  

gepubliceerd door Marius Hupkes

 

 

 

 

 

de auteur is advocaat te Amsterdam.

separator

Deel dit artikel op social media: