Rechtbank Gelderland biedt praktische verhaalsroute bij cryptofraude
Kan een Nederlandse rechter een buitenlandse crypto-exchange verplichten om na cryptofraude bevroren digitale activa rechtstreeks over te dragen aan het slachtoffer? De Rechtbank Gelderland beantwoordt die vraag bevestigend. Twee opeenvolgende uitspraken laten zien hoe een slachtoffer van cryptofraude niet alleen de bij een exchange aanwezige activa kan laten bevriezen, maar uiteindelijk ook daadwerkelijke restitutie kan verkrijgen.
Van frauduleuze belegging naar een account bij een crypto-exchange
De zaak betreft een cliënt van ons kantoor die slachtoffer werd van een frauduleus online beleggingsplatform. Zoals bij dergelijke fraude vaker voorkomt, werden de door het slachtoffer overgemaakte gelden omgezet in cryptovaluta en verzonden over de blockchain. Het slachtoffer verloor ruim € 100.000.
Blockchainonderzoek, uitgevoerd door Dataexpert B.V., maakte het mogelijk de crypto-geldstroom te volgen. De bitcoins konden worden getraceerd naar een account bij XBO, een crypto-exchange die wordt geëxploiteerd door Procryptic Sp.z.o.o. en Clickjoint B.V.. Deze vennootschappen zijn gevestigd in respectievelijk Polen en Curaçao.
Daarmee ontstond een probleem dat kenmerkend is voor procedures over cryptofraude. Het traceren van de gestolen cryptovaluta is één ding. Voorkomen dat zij vervolgens opnieuw worden verplaatst of verkocht, de identiteit van de rekeninghouder achterhalen en uiteindelijk daadwerkelijk verhaal nemen op de activa, is juridisch aanzienlijk gecompliceerder.
De eerste stap: bevriezing en identificatie
In kort geding werd daarom tegen de exploitanten van XBO gevorderd dat het betrokken account zou worden bevroren en dat gegevens over de rekeninghouder en de relevante transacties zouden worden verstrekt. De Voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland wees deze vorderingen toe in het vonnis van 10 april 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:2812).
De exchange gaf correct uitvoering aan het vonnis. Daardoor kon worden vastgesteld wie de rekeninghouder was (een Pools bedrijf dat zelf zegt ook een cryptoexchange te zijn, een zogenaamde “nested service“). Tevens bleek dat zich op het bevroren account ongeveer 383.828 USDT (Tether) bevond, een zogenaamde “stablecoin” met een waarde die gelijk is aan de US dollar. De gestolen bitcoins waren al verkocht via het platform, maar er waren dus andere activa aanwezig ten tijde van de bevriezing.
Daarmee was een belangrijk resultaat bereikt: het slachtoffer had de beschikking over informatie omtrent de ontvanger van de gestolen crypto en er was ruim voldoende digitale waarde veiliggesteld om de schade te kunnen verhalen. Dat betekende echter nog niet dat het slachtoffer over die activa kon beschikken.
Het probleem van de vervangende activa
Een complicatie was dat de oorspronkelijk getraceerde bitcoins inmiddels waren verkocht via het platform. De bitcoins die afkomstig waren uit de fraude bevonden zich dus niet meer als zodanig op het account. Daarvoor in de plaats bevond zich de USDT op het account.
Dit roept een principieel interessante verhaalsvraag op. Een freezing order voorkomt dat activa worden verplaatst, maar creëert op zichzelf nog geen aanspraak van het slachtoffer op de bevroren vermogensbestanddelen. Bovendien waren de bevroren USDT niet identiek aan de bitcoins die oorspronkelijk van het slachtoffer afkomstig waren. Ons standpunt is dat volgens Nederlands recht een schuldenaar met al zijn activa in moet staan voor zijn schulden (art. 3:276 BW), zodat andere activa (de USDT) dan de oorspronkelijke gestolen activa (BTC) onder een bevriezingsbevel van de rechter vallen. Dat uitgangspunt is in de procedure niet tegengesproken.
De volgende vraag was hoe de overgang kon worden gemaakt van bevriezing naar daadwerkelijk verhaal. Een traditionele benadering zou kunnen betekenen dat eerst een executoriale titel tegen de klant van de exchange wordt verkregen en vervolgens in het buitenland executiemaatregelen worden getroffen gericht op de activa bij de exchange. Gelet op de internationale structuur van XBO zou dat tot een complexe executie leiden.
Daarmee zou juist een belangrijk praktisch voordeel van de eerder verkregen freezing order verloren gaan: de digitale activa waren immers reeds binnen de machtssfeer van de exchange geïdentificeerd en bevroren.
Rechtbank: positie exchange vergelijkbaar met die van derde-beslagene
In haar vonnis van 19 augustus 2026 (ECLI:NL:RBGEL:2026:6681) kiest de Rechtbank Gelderland voor een praktische en interessante oplossing.
De rechtbank veroordeelt allereerst de rekeninghouder van het bevroren account, die niet had gereageerd en verstek had laten gaan in de procedure, tot vergoeding van de schade van het slachtoffer. Daarmee beschikt het slachtoffer over een executoriale titel tegen degene die de frauduleus verkregen cryptovaluta had ontvangen.
Vervolgens komt de positie van de crypto-exchange aan de orde. De rechtbank stelt vast dat tussen het slachtoffer en XBO geen contractuele verhouding bestaat. Evenmin was de vordering gebaseerd op het uitgangspunt dat de exchange zelf bij de oorspronkelijke fraude betrokken was; de exchange had de fraude niet gepleegd en tot dan toe geen verdergaande verplichting dan het bevriezen van het account, als zekerheid voor het slachtoffer en in afwachting van verdere beslissingen. De exchange had na kennisneming van het bevriezingsbevel correct medewerking verleend aan de bevriezing en de informatieverstrekking over de identiteit van de ontvanger.
Volgens de rechtbank is de exchange vervolgens gehouden om mee te werken aan het realiseren van het verhaal van het slachtoffer, om de oplichting ongedaan te maken. De rechtbank maakt daarbij een belangwekkende vergelijking met het beslagrecht. De positie van de crypto-exchange vertoont volgens haar overeenkomsten met die van een derde-beslagene, terwijl de eerder opgelegde freezing order materieel vergelijkbaar is met een conservatoir verhaalsbeslag, zij het dat bevriezingsbevelen niet apart in het wetboek van rechtsvordering zijn geregeld en het conservatoire beslag wel. De rechtbank kijkt dus nadrukkelijk naar de materiële functie van de bevriezingsmaatregel: het veiligstellen van vermogensbestanddelen teneinde later verhaal mogelijk te maken.
Art. 6:162 BW als grondslag voor medewerking aan restitutie
De rechtbank gaat vervolgens een stap verder. Zij beoordeelt de verplichting van de exchange om aan de uiteindelijke restitutie mee te werken aan de hand van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen van art. 6:162 BW.
Daarbij is onder meer van belang dat:
- het slachtoffer inmiddels beschikt over een executoriale titel tegen de rekeninghouder;
- de bevroren USDT tot het vermogen van die rekeninghouder behoren;
- de uit de fraude afkomstige bitcoins aantoonbaar op het betreffende account zijn terechtgekomen;
- deze bitcoins via het platform zijn verkocht; en
- binnen het account voldoende waarde aanwezig is om de toegewezen schadevergoeding te voldoen in andere vorm, in dit geval USDT.
Onder die omstandigheden zou een weigering van de exchange om mee te werken aan restitutie volgens de rechtbank zelf onrechtmatig jegens het slachtoffer opleveren. De rechtbank veroordeelt de exploitanten van XBO daarom om vanuit het bevroren account USDT ter waarde van de toegewezen schadevergoeding over te maken naar een door het slachtoffer aan te wijzen blockchainadres. De exchange wordt rechtstreeks veroordeeld tot het uitvoeren van de cryptotransactie waarmee het slachtoffer daadwerkelijk wordt betaald.
Van freezing order naar daadwerkelijke recovery
Hierin ligt naar onze mening de betekenis van deze uitspraak. In procedures over cryptofraude heeft de freezing order zich ontwikkeld tot een belangrijk instrument, dat vaker wordt toegepast. Een dergelijke maatregel heeft echter beperkte waarde wanneer vervolgens onduidelijk blijft hoe de bevroren activa uiteindelijk bij het slachtoffer terechtkomen. Ook is de waarde van een bevriezingsbevel relatief als het slachtoffer aangewezen is op executie in jurisdicties waar Nederlandse uitspraken niet zomaar worden erkend of jurisdicties die nog worstelen met de vraag of executoriaal beslag op cryptovaluta mogelijk is (hierover bestaat in sommige landen onduidelijkheid).
De twee Gelderse uitspraken laten een route zien waarin verschillende processtappen op elkaar aansluiten:
tracing van cryptovaluta → identificatie van de exchange → freezing order en informatieverstrekking → identificatie van de rekeninghouder → titel tegen de rekeninghouder → rechtstreekse overdracht door de exchange.
Daarmee ontstaat een praktisch alternatief voor een situatie waarin een slachtoffer na het verkrijgen van een Nederlandse titel alsnog in verschillende buitenlandse jurisdicties executiemaatregelen zou moeten treffen.
Ook relevant wanneer de oorspronkelijke crypto niet meer aanwezig is
Een tweede belangrijk aspect is dat de rechtbank zich niet laat beperken door het feit dat de oorspronkelijk gestolen bitcoins niet meer op het account aanwezig waren.
Bij cryptofraude is dit een belangrijk gegeven. Cryptovaluta kunnen binnen zeer korte tijd worden verkocht via het ontvangende platform, omgewisseld of via verschillende tokens en wallets worden verplaatst. Wanneer verhaal uitsluitend mogelijk zou zijn op exact dezelfde digitale eenheden die oorspronkelijk van het slachtoffer afkomstig waren, zou effectieve recovery in veel gevallen onmogelijk worden.
In deze zaak waren de bitcoins verkocht, maar bevond zich binnen hetzelfde account een aanzienlijk USDT-tegoed, dat meer waard was dan de geleden schade. De rechtbank accepteert dat onder de concrete omstandigheden van deze zaak op deze vermogenswaarde verhaal wordt gerealiseerd. De eiser zal zich in dit verband moeten realiseren dat hij een schadevergoedingsvordering moet instellen in plaats van een vordering die strekt tot revindicatie van de verduisterde cryptovaluta. Via een schadevergoedingsvordering kan het verhaal immers worden gekoppeld aan activa die voor de gestolen cryptovaluta in de plaats treden, terwijl de gestolen cryptovaluta in veel gevallen al zijn verkocht aan een derde te goeder trouw die de herkomst uit diefstal niet kent (een andere klant van de exchange die een aankooporder plaatst en die crypto geleverd krijgt uit de algemene handelsvoorraad van de exchange waarin de gestolen cryptovaluta terecht zijn gekomen).
Betekenis voor slachtoffers van cryptofraude
De uitspraken illustreren dat het Nederlandse civiele recht verschillende bestaande rechtsfiguren kan combineren om oplossingen te bieden voor vermogensbestanddelen die zich niet eenvoudig in traditionele beslagrechtelijke categorieën laten vangen.
Daarbij spelen het kort geding, het leerstuk van de onrechtmatige daad en de maatschappelijke zorgvuldigheid, de functionele vergelijking met conservatoir beslag en de positie van de exchange als derde die feitelijke controle over digitale activa uitoefent gezamenlijk een rol.
De uitspraak van 19 augustus 2026 verdient daarom ook aandacht buiten deze individuele zaak. Zij roept interessante vragen op over de verhouding tussen freezing orders en het formele beslagrecht, de zorgvuldigheidsverplichtingen van crypto-exchanges tegenover derden en de executie van aanspraken op digitale activa.
Tegelijkertijd is de praktische betekenis duidelijk. Een slachtoffer heeft weinig aan een succesvolle blockchaintracing wanneer de aangetroffen activa vervolgens niet kunnen worden aangewend voor verhaal. Een freezing order heeft op zijn beurt beperkte waarde wanneer de bevriezing permanent blijft “kleven” en niet kan worden omgezet in daadwerkelijk verhaal.
In deze zaak zijn beide stappen met elkaar verbonden. Eerst werden de activa veiliggesteld en werd de rekeninghouder geïdentificeerd. Vervolgens werd een titel tegen die rekeninghouder verkregen en werd de exchange verplicht de reeds bevroren digitale waarde daadwerkelijk aan het slachtoffer over te dragen.
Daarmee wordt de cirkel van tracing, freezing en recovery gesloten.

