phone icon020 696 3000
Nederlands | English
divider

Artikel

separator

Deel dit artikel op social media:


Wat als een schuldeiser na minnelijk traject (MSNP) toch betaling wil?

/

minnelijk traject

Een WSNP-traject eindigt als het goed is met een schone lei via de rechter. Daarmee kan de (voormalige) schuldenaar de oude schuldeisers effectief van zich afhouden. Maar wat te doen als de schulden zijn gesaneerd via een minnelijk traject (MSNP), en na afronding vraagt een schuldeiser toch betaling? Wat is de beste juridische aanpak vanuit het perspectief van de schuldenaar?

Wat is het probleem?

Bij de WSNP kan een schuldeiser (al dan niet via de bewindvoerder) aan de rechter tussentijdse beëindiging vragen, als de schuldenaar zich niet aan de verplichtingen houdt of als er een lijk uit de kast komt. Bij de MSNP ontbreekt deze rol voor de rechter. Toch kan een schuldeiser ook bij een gevorderd of voltooid minnelijk traject  – al dan niet terecht – van mening zijn dat de schuldenaar zich niet aan de verplichtingen houdt. Deze schuldeiser kan bovendien al beschikken over een (oud) vonnis en na einde MSNP overgaan tot beslaglegging, omdat hij de kwijting die uit het einde van het MSNP-traject voortvloeit niet erkent.  Zeker bij beslaglegging kan de schuldeiser de schuldenaar dus feitelijk voor het blok zetten (terecht of onterecht). De schuldenaar moet iets doen.

Een praktijkcasus

In een zaak die werd behandeld bij de Rechtbank Midden-Nederland werd een (voormalige) schuldenaar na afloop van het minnelijke traject geconfronteerd met een schuldeiser die geen kwijting voor de schuld wilde geven. De schuldeiser had ingestemd met het minnelijke traject, toepassing van de WSNP was dus niet nodig. De schuldenaar rekende na 36 maanden op kwijting. Toch werd met gebruikmaking van een oud vonnis beslag gelegd na het einde van de MSNP. Het standpunt van de schuldeiser was dat de schuldenaar zich niet had gehouden aan de voorwaarden van het minnelijke traject. Hij vond dat hij de draad van de incasso weer op mocht pakken.

De strategie van de schuldenaar

In reactie op het beslag vraagt de schuldenaar toelating tot de WSNP (waardoor het beslag zou vervallen). Hij vraagt ook een voorlopige voorziening (art.  287 lid 4 Fw) en voor de zekerheid ook nog een dwangakkoord. De rechter analyseert de situatie en constateert dat de schuldenaar niet de goede rechtsingang kiest. De rechter legt in de uitspraak uit welke weg moet worden bewandeld voor de (voormalige) schuldenaar die na een minnelijk traject wordt geconfronteerd met een dwarsliggende schuldeiser. Hiervoor is wel wat inzicht in het overeenkomstenrecht nodig.

MSNP is overeenkomstenrecht

De WSNP is uitgebreid in de Faillissementswet geregeld, het minnelijke traject niet. De MSNP is in essentie een verzameling van overeenkomsten die de schuldenaar met de schuldeisers aangaat. De schuldhulpverlener doet immers een voorstel, ofwel volgens de wettelijke term van art. 6:217 BW een “aanbod”. Als de schuldeiser akkoord gaat, geldt dat als een aanvaarding (eveneens art. 6:217 BW). Daarmee is een overeenkomst tot stand gekomen.  De schuldenaar moet zich houden aan de verplichtingen die hij aangaat. De schuldeiser op zijn beurt moet genoegen nemen met de beperkte betaling en kwijting geven voor de restant-schuld, want de “kwijting” – de verbintenisrechtelijke variant van de “schone lei” – is de tegenprestatie die de schuldeiser op zich heeft genomen. Hierbij zijn de gewone regels van het Burgerlijk Wetboek van toepassing; de Faillissementswet komt er verder niet aan te pas. Hieruit kun je al afleiden dat bij een geschil over de kwijting na een minnelijke regeling geen in de Faillissementswet geregelde procedure (zoals een verzoek tot toelating tot de WSNP) gevolgd kan worden. De faillissementswet regelt allerlei soorten procedures, maar niet wat er moet gebeuren als een schuldeiser de uitkomst van een minnelijke schuldregeling aan zijn laars lapt.

Welke procedure dan wel?

Wat moet een schuldenaar dan wel doen als hij na de MSNP ten onrechte wordt geconfronteerd met een beslag? Hij moet doen wat een partij te doen staat als een wederpartij bij een overeenkomst verplichtingen niet nakomt: nakoming vragen. Dat moet in een procedure bij de civiele rechter (dus niet bij de faillissementsrechter). Een kort geding is mogelijk (maar soms is een bodemprocedure beter vanwege bewijsproblematiek). In dat proces kan de voormalige schuldenaar niet alleen nakoming van de overeenkomst vragen maar ook opheffing van het beslag en terugbetaling van ten onrechte geïncasseerde bedragen. De ingestelde vorderingen zullen variëren van geval tot geval (onverschuldigde betaling, verklaring voor recht betreffende de kwijting, opheffing beslag, aanvullende schadevergoeding).

De toetsing

Kenmerkend voor de procedure is dat de schuldeiser zich inhoudelijk kan verweren: hij zal uitleggen waarom hij vindt dat de schuldenaar zich niet aan de verplichtingen van het MSNP-traject heeft gehouden. Duidelijke gevallen waarbij de schuldenaar de boel flest – bijvoorbeeld door buitenlands vermogen achter te houden – zouden wel eens in het voordeel van de schuldeiser kunnen eindigen. Als de schuldenaar zich daarentegen wel degelijk aan alle verplichtingen heeft gehouden, dus die zaken waarbij de schuldeiser onredelijk dwars ligt, is te verwachten dat de schuldeiser wordt veroordeeld om kwijting te geven voor de gesaneerde schuld (dat kan via een “verklaring voor recht”) en beslagen op te heffen. Op die manier verkrijgt de schuldenaar alsnog definitief wat hij beoogde: de nieuwe start zonder schulden.

 

Geplaatst door Marius Hupkes

marius-2016

Marius Hupkes is advocaat en ondernemer

Lees hier meer nieuws over schuldsanering.

 

separator

Deel dit artikel op social media: