Wat moet een schuldhulpverlener wel of niet doen als een schuldenaar pas bij hem komt, als zijn faillissement al is aangevraagd en de schuldenaar als laatste redmiddel toelating tot de WSNP wil? Is er nog tijd voor een behoorlijk minnelijk traject? En als dat niet zo is, wat zijn de gevolgen voor het toelatingsverzoek?

Wat is de probleemstelling?

Niet elke schuldenaar komt “rustig” in een minnelijk traject terecht. Er zijn ook schuldenaars met wie het (te) snel bergafwaarts gaat: hun faillissement wordt aangevraagd en ze hebben geen tijd meer. Er is voor deze groep nog maar één manier om aan faillissement te ontsnappen: de wettelijke schuldsanering. De wettelijke basis hiervoor is art. 3 en 3a Fw. Zolang het toelatingsverzoek loopt (inclusief eventueel hoger beroep en cassatie), wordt de faillissementsaanvraag aangehouden. Voor de aanvrager van het faillissement een frustrerende regeling, maar voor de schuldenaar van cruciaal belang. De schuldhulpverleningsinstantie krijgt vervolgens een nieuwe klant binnen met een spoedeisende aanvraag. Rechters kunnen een (korte) termijn stellen voor het indienen van het WSNP-verzoek.

Kan het minnelijk traject worden overgeslagen?

Nee. Er  kunnen allerlei goede redenen zijn waarom het minnelijk traject weinig zin heeft of niet van de grond komt. Het begint natuurlijk al met de capaciteit van de schuldhulpinstantie. Soms is al wel duidelijk dat een bepaalde rancuneuze schuldeiser toch niet in zal stemmen. Bij een faillissementsaanvraag ligt dat ook voor de hand: deze schuldeiser wil blijkbaar geen WSNP. Eén of meer schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan kunnen een WSNP-traject ook kansloos doen lijken, maar pas op: dat is niet het laatste woord, de rechter kan dat door de vingers zien via de hardheidsclausule. De regel is simpel: het minnelijk traject mag niet worden overgeslagen en moet compleet zijn uitgevoerd. De rechtspraak maakt duidelijk dat het minnelijk traject cruciaal is. Zie bijvoorbeeld deze uitspraak van het Hof Den Bosch.

Voldoende tijd is nodig

Een minnelijk traject is doorgaans niet in een paar weken uit te voeren. De schuldhulpverlener heeft tijd nodig. Het komt voor dat de rechter de faillissementsaanvraag kort heeft aangehouden. De tijd die de schuldenaar en de schuldhulpinstantie hebben gekregen is dan eigenlijk te kort. De schuldhulpverlener staat voor een dilemma. Hij kan het werk half doen en een incomplete WSNP-aanvraag indienen binnen de door de rechter gestelde termijn, terwijl het minnelijk traject niet is afgerond. Of hij probeert het traject af te ronden, zodat een complete aanvraag kan worden ingediend. Dan is de vraag wat de rechter doet als de gestelde termijn verstreken is en het WSNP-verzoek nog niet is ingediend. Het procesreglement geeft geen strakke regels voor de duur van de aanhouding van een faillissementsaanvraag op verzoek van de schuldenaar die in de WSNP wil.

Uitspraak van Hof Den Haag

In een zaak bij het Gerechtshof Den Haag krijgt een gemeentelijke kredietbank er van langs: er is geen adequaat traject aangeboden aan de schuldenaar. De WSNP gaat niet door en de schuldenaar gaat (waarschijnlijk) alsnog failliet. Dat valt immers niet meer tegen te houden als de rechtsmiddelen tegen de WSNP-afwijzing (hoger beroep en cassatie) zijn uitgeput. Het gerechtshof laat doorschemeren dat het met deze zaak ook anders had kunnen aflopen. De uitspraak maakt duidelijk dat de rechtbank “desverzocht” de zaak langer had kunnen aanhouden. “Desverzocht” is een ouderwets maar belangrijk woordje:  er had een duidelijk gemotiveerd aanhoudingsverzoek moeten worden gedaan. Deze actie lag bij de schuldenaar en/of zijn schuldhulpverlener. De rechtbank verleent deze aanhouding niet ongevraagd. Dat is niet haar rol en taak.

Uitspraak Hof Den Bosch

Wat sommige rechtbanken nog wel eens doen bij een onvoltooid minnelijk traject, is het op inhoudelijke gronden afwijzen van een toelatingsverzoek (bijvoorbeeld vanwege schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan). In deze uitspraak van 1 december 2015 maakt het Hof Den Bosch duidelijk dat dat eigenlijk niet juist is. Als geen minnelijk traject is doorlopen moet de rechtbank de schuldenaar niet ontvankelijk verklaren. De rechtbank moet als het ware eerst nagaan of het minnelijk traject in orde is, en pas als dat zo is komt verdere toetsing aan de orde. Het lijkt een pietluttig verschil, maar het is wel belangrijk. Hoger beroep tegen een afwijzing is namelijk zinloos als het gerechtshof de rechtbank corrigeert en overgaat tot niet-ontvankelijkverklaring. In de hoger beroepsfase zijn er geen herstelmogelijkheden meer, bij de rechtbank wel: dan kan de schuldhulpverlener om extra uitstel vragen zodat het minnelijk traject voltooid kan worden. Dan volgt de inhoudelijke beoordeling en heb je ook een volwaardige tweede kans bij het gerechtshof.

Tips voor schuldhulpverleners

Het is mogelijk dat de rechtbank niet erg genegen is uitstel te geven voor het minnelijke traject omdat afwijzing van het toelatingsverzoek in de lijn der verwachting ligt. Bijvoorbeeld vanwege schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan. In zo’n geval kan een dwangakkoord nog helpen; dat zou als eerste moeten worden onderzocht. In de tweede plaats: er is altijd nog de hardheidsclausule, zodat de weg voor hoger beroep open moet blijven liggen. Daarvoor is een voltooid minnelijk traject nodig en dat lukt niet meer als de rechtbank eerst het verzoek afwijst, en  het gerechtshof daarna die uitspraak vernietigt omdat de rechtbank niet ontvankelijk had moeten verklaren. In dat geval kan het gerechtshof ook niet meer oordelen over het beroep op de hardheidsclausule. Er zit niets anders op dan een assertieve houding bij de rechtbank. Als de rechter wil doorhameren, dan moet je als schuldenaar en/of schuldhulpverlener bij de rechtbank stevig aandringen op extra uitstel voor een voltooid minnelijk traject. Anders wordt art. 3 Fw een wassen neus, en maakt een schuldenaar die in de WSNP wil onder druk van een ingediende faillissementsaanvraag geen enkele kans.

Tenslotte

Niet onbelangrijk is dat in WSNP-zaken het hoger beroep een belangrijke rol speelt. Vaak wordt pas voor het eerst in hoger beroep (met succes) een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Schuldenaren gaan vaak pas naar een advocaat na afwijzing bij de rechtbank. In de hoger beroepsfase kan de ingeschakelde advocaat niet meer repareren dat het minnelijke traject onvolledig is geweest. Het hoger beroep kan dan al stranden op de ontvankelijkheid. Dat is extra pijnlijk als het hoger beroep op de inhoud kans had gemaakt. De oplossing ligt dus vooral in de fase bij de rechtbank en bij een pro-actieve houding van de schuldhulpverlening. Of eventueel het in een eerder stadium inschakelen van een advocaat om de rechter te doordringen van de noodzaak van de aanhouding.

 

Geplaatst door Marius Hupkes

marius-2016

Marius Hupkes is advocaat en ondernemer

Lees hier meer nieuws over schuldsanering